De resultaten van het broedvogelonderzoek in 2012 zijn te zien in dit rapport. Samen met vele vrijwilligers van Natuurbeschermingsvereniging De Steltkluut heeft Het Zeeuwse Landschap de 3de integrale broedvogelkartering van Het Verdronken Land van Saeftinghe uitgevoerd. Het Verdronken Land van Saeftinghe is een buitendijks schorrengebied in het uiterste oosten van de Westerschelde. Met laagwater valt circa 3.800 ha droog, circa 2.250 ha ligt boven het gemiddelde niveau van hoogwater en is begroeid met schorvegetatie typerend voor een brakwaterschor.

Ondersteund met de vanaf 2006 jaarlijks geïnventariseerde bmp-plots kunnen vergelijkingen gemaakt worden tussen de broedvogelkartering van 1997, 2004 en 2012. Aan de hand hiervan blijkt dat sommige soorten vooruit gaan en andere achteruit.

Saeftinghe is in de loop der jaren soortenrijker geworden. Tijdens de inventarisatie van 1997 zijn er 55 soorten vastgesteld, in 2004 waren dat er al 65 en in 2012 zijn dat er 67. De enige soort die echt verdwenen is sinds 1997, is de grauwe gors. De nieuwkomers bestaan in Saeftinghe onder andere uit exoten als Canadese Gans en Nijlgans die integraal toenemen in West-Europa. Een andere nieuwkomer is de Slechtvalk. Deze soort broedt op de radartoren. De opkomst van deze soorten is niet toe te schrijven aan veranderingen in het gebied, maar van een integrale opkomst in West-Europa.

De echte explosieve toename is te vinden in de soorten van de riet(ruigte) velden, zoals bijvoorbeeld de sprinkhaanzanger (32 in 2012) en snor (24 in 2012), deze soorten kwamen voor 1997 niet of nauwelijks voor. Soorten die wel al behoorlijk aanwezig waren voor 1997 maar sterk toenemen zijn: kleine karekiet (verdubbeld sinds 1997) en baardman (van 8 naar 200). De opkomst van riet wordt door de aantalsontwikkeling van deze soorten goed geïllustreerd. kleine karekiet broedt al lang in Saeftinghe, terwijl soorten van goed ontwikkeld riet, of grote oppervlakten riet, zoals baardman en snor, zich duidelijk pas later hebben gevestigd. De sprinkhaanzanger is pas voor het eerst vastgelegd vastgesteld in 2004.

Een andere soort die toeneemt in Saeftinghe, is de bruine kiekendief. Deze lijkt Saeftinghe te verkiezen boven de kreken van Zeeuws-Vlaanderen. Mogelijk gestuurd door de predatiedruk van vossen. De vos is inmiddels ook een vaste bewoner in Saeftinghe. Het broedsucces van de bruine kiekendief was in 2012 bijzonder laag, waarbij predatie door de opkomende vos en zwarte kraai waarschijnlijk een belangrijke rol speelden. Andere soorten waarvan de aantallen zijn afgenomen zijn: wilde eend, slobeend, meerkoet, waterhoen, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Deze soorten vormen samen met de ganzen de belangrijkste prooi voor de vos. Het zijn de relatief grote en eenvoudige prooien die op de grond broeden. Ook het vestigingspatroon van de broedlocaties is aangepast. De broedlocaties zijn dieper in het gebied geconcentreerd in de moeilijker bereikbare terreindelen. De meeste van de bovengenoemde soorten gingen voor de vestiging van de vos nog vooruit (met name wilde eend en meerkoet). De oorzaak van de eerdere toename werd mogelijk veroorzaakt door de verdere verzoeting van het gebied. De vos die zich pas rond 2007 permanent vestigde zorgde voor een achteruitgang. De waterral die haar nest beter verstopt, neemt nog steeds toe.

Voor holenduif, houtduif, graspieper, gele kwikstaart, blauwborst en kneu is de verklaring van de afname minder duidelijk. Deze achteruitgang is niet direct te relateren aan een verandering in het gebied of directe omgeving. Voor blauwborst en graspieper lijkt de afname in Zuidelijk Nederland en België een integrale ontwikkeling. Deze ontwikkeling wordt gerelateerd aan de klimaatsverandering (Bron: Natuurpunt, een interpretatie van ‘A climat atlas of de European breeding birds’). Ook gele kwikstaart neemt af ten opzichte van 2004, maar of er daadwerkelijk van een afname gesproken kan worden moet de toekomst uitwijzen, de bmp laat een minder drastische afname zien en geeft ook een fluctuatie over de jaren weer.

Het aantal territoria kustbroedvogels is afgenomen. Visdieven broeden traditioneel op veekvelden langs de randen van het noordelijk en westelijk deel van het schor. Het broedresultaat lijkt hier de laatste jaren bijzonder laag. Oorzaken hiervoor zijn verspoeling van de nesten en een geringe hoeveelheid voedsel (kleine vis) voor de jongen. Het aantal broedende plevieren schommelt jaarlijks. Dit hangt samen met de intensiteit van het onderzoek (de nesten zijn lastig te vinden), bovendien past dit in het beeld van deze pioniersoorten. Ook het aantal kluten is afgenomen. Een groot deel hiervan broedt in de nieuwe natuurterreinen in het Antwerpse havengebied en in de Prosperpolder. Hier zijn de laatste jaren ook grote kolonies kokmeeuwen en zwartkopmeeuwen ontstaan.

Share